Koffie met een oortje op Wittesweide.

Met een groep van 8 bewoners van Wittesweide, hebben wij 6 keer per jaar een bijeenkomst, dat wij Koffie met een oortje noemen. Iedere keer bespreken wij een aan ons geloof gerelateerd onderwerp, dat eigenlijk vanzelf naar voren komt en voorbereid wordt door de gespreksleiders. De opzet is oecumenisch, vanuit de Pastoraatgroep van de Bleijke, maar momenteel zijn er alleen protestantse deelnemers.
De laatste keer hebben wij besproken wat wij ons voorstellen bij “de hemel” en hoe wij denken over eindigheid en eeuwigheid: is er leven na de dood? Aan de hand van een gedicht, een beetje theorie en een vragenlijst, kwam het gesprek makkelijk op gang. Er werd begonnen met het volgende gedicht:

Hoe zal het daar zijn?
We zaten te praten over de hemel, hoe zal het daar zijn?
Gouden straten, altijd feest, geen verdriet en pijn.
Zal ik daar mensen herkennen, die mij zijn voorgegaan,
of zullen we daar als één grote familie voor Gods troon staan?
Maar één ding mag ik zeker weten, éénmaal kom ik in de hemel aan,
dan zal ik oog in oog met mijn Vriend, mijn Verlosser en mijn Jezus staan.
We gaan niet naar de hemel om daar bij elkaar op een reünie te komen,
maar mogen daar Jezus ontmoeten, dan mag ik voor eeuwig bij Hem wonen.


Al snel werd duidelijk dat men in het algemeen vindt dat wij niet kunnen weten of er een hemel is, althans niet hoe dat er dan uit zal zien, hoe het daar zal zijn. Wel is er geloof in een eeuwigheid; het is niet “dood is dood”. Wij willen wel alles begrijpen, maar dat kan niet. En geloven is voor een deel dingen aannemen, ook al blijft het een mysterie.
Tijdens het gesprek werden de volgende stellingen benoemd als treffend of, voor iemand van de groep, aansprekend:
- Het leven gaat door, ik hoop dat ik voortleef doordat er mensen zijn die mijn leven ‘voortzetten’, mijn idealen overnemen en daar iets mee doen.
Het gesprek ging hierbij bijvoorbeeld over hoe je als ouders jouw kinderen tot een voorbeeld wil zijn en de eigen verantwoordelijkheid van de kinderen om dat op te pakken en er hun eigen vorm aan te geven.
– Ik geloof in de opstanding en een eeuwig leven.
Als opmerking hierbij werd genoemd dat ‘opstanding’ al net zo’n moeilijk begrip is als ‘hemel’ en ‘eeuwigheid’.
- Of er leven na dit leven is, is ons mensen onbekend. Wellicht wel, misschien niet. We weten het niet en daarom is het beter daar verder niet over te spreken.
Het laatste deel van deze stelling werd niet overgenomen. Over het eerste deel was men het wel eens.

Al met al was het uurtje ontmoeting, koffie drinken en naar elkaar luisteren zo weer om. Er werd geëindigd met het volgende gedicht:

Tot in eeuwigheid.
De levensjaren zijn gesleten.
Nu levenslicht zijn dagen nog een weinig rest in tijd,
vraag ik U “Heer” uw armen liefdevol te spreiden,
begeleid mij naar de “eeuwigheid”.


Jan Claver en Ap Luesink,
juli 2017.